Een drieluik Daimler (Deel 1)

Gottlieb Daimler en Karl Benz zijn onverbrekelijk verbonden met het ontstaan van de verbrandingsmotor en de auto. In een artikel in een eerdere nieuwsbrief is Benz al besproken, maar Daimler is zeker net zo interessant.

Het merk Daimler bestaat bijna net zo lang als de auto zelf. Dat is waarschijnlijk algemeen bekend. Wat wellicht niet iedereen weet is dat Daimler verschillende verschijningsvormen kende, die bepaald worden door het land van herkomst. Dit waren Duitsland, Engeland en Oostenrijk.

In het begin van de jaren 1890 werkte Daimler bij het Duitse bedrijf Deutz aan een verbrandingsmotor. Nadat hij voldoende geld had verdiend om voor zichzelf te beginnen, vestigde hij zich in Canstatt, alwaar hij samen met Wilhelm Maybach een werkplaats begon en de verbrandingsmotor verder ontwikkelde. Het werd uiteindelijk een luchtgekoelde eencilinder motor die ca. 1,5 pk leverde. Daimler monteerde deze motor in een op een motorfiets lijkend voertuig. Zoals in de annalen wordt vermeld, is dit de enige motorfiets die Daimler (en hun zgn. “nachfolger”) ooit zullen maken. Deze ‘Einspur’ werd ook ‘Reitwagen’ genoemd, omdat de zithouding op die van een ruiter leek. In zekere zin had de ‘Einspur’ al moderne trekjes zoals wielen van gelijke grootte, een draai-gashandvat en flexibele ophanging van het blok. Het voertuig had houten wielen en kleine wieltjes aan de zijkant teneinde omvallen te voorkomen en wordt als de eerste motorfiets ter wereld met benzinemotor beschouwd.

In de omgeving van Cannstatt werden uitgebreide proeven ondernomen met dit voertuig. Maybach vond echter dat er een “echte” auto gebouwd diende te worden en dat gebeurde uiteindelijk ook. Een vierwieler met vier zitplaatsen zag het levenslicht en werd tentoongesteld op de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1889, alwaar de belangstelling enorm was. De auto had een buizenframe en stalen wielen met draadspaken, vandaar de naam “Stahlradwagen”. De motor was inmiddels een tweecilinder in V-vorm. De Franse autofabrikanten Peugeot en Panhard & Levassor hadden vooral interesse in de Daimlermotor en zouden deze ook gebruiken in hun eerste auto’s, alvorens de motorontwikkeling zelf ter hand te nemen.

Het was echter een onrustige periode. Daimler en Maybach keerden “hun” onderneming de rug toe en gingen hun eigen gang. Deze periode staat bekend als de “Hotel Hermann” periode, vernoemd naar het hotel alwaar de heren verbleven. In deze tijd ontwikkelde Daimler de “verstuiver”-carburateur, die later de opvolger zou worden van de zgn. oppervlaktecarburateur. De ruzie tussen de heren Daimler en Maybach enerzijds en met de fabriek anderzijds, werd bijgelegd en na enige tijd keerden zij terug op het oude nest.  De creativiteit was nog niet verloren en in 1899 werd een viercilinder motor van maar liefst 28 pk ontwikkeld die in een auto werd gemonteerd welke gekocht werd door Emil Jellinek, een zakenman tevens Consul uit Nice. Hij gaf zijn auto de naam van zijn dochter, Mercédès.

De invloed van Jellinek op het beleid bij Daimler was groot. Hij werd in de directie benoemd als commissaris en zorgde voor de toenemende verkopen van het merk. In 1902 kregen de auto’s van Daimler de merknaam Mercedes. Vrachtwagens en degelijke bleven de naam Daimler voeren.

Enkele directieleden van Daimler stichtten in 1899 een autofabriek in Berlijn, M.M.B geheten. De door dit bedrijf gemaakte auto’s kwamen evenwel niet in de buurt van de kwaliteit van het “originele” merk. Na de dood van Gottlieb Daimler in 1902 werd die fabriek overgenomen door de “echte” Daimler. Onder de naam Daimler-Marienfelde (Berlijn) of Milnes-Daimler (in Engeland) werden nadien commerciële voertuigen vervaardigd. Naast het “afvallige” M.M.B.  waren er echter nog meer fabrieken die de naam Daimler voor hun producten voerden.

Het meest bekend is wel de Engelse variant, uiteraard ook Daimler geheten. In 1893 verwierf F.R. Simms de rechten voor Daimler motoren. In 1896, toen hij zich had aangesloten bij de industrieel  H. J. Lawson, werden de eerste auto’s afgeleverd. Sommigen waren geïmporteerd, andere waren in feite kopieën van bestaande Daimler modellen. Gottlieb Daimler was overigens “director” (commissaris) bij die onderneming. 

Het feit dat de toenmalige Prins van Wales, de latere Koning Edward VII, een Daimler kocht, gaf het merk direct een zeker cachet.  De auto’s werden voorzien van een radiateur welke aan de bovenkant geribbeld was, een kenmerk dat al die jaren het merk Daimler zeer herkenbaar maakte. De “Engelse afdeling” ging zijn eigen weg en produceerde auto’s die van een vergelijkbare kwaliteit waren als de producten uit Duitsland.  In de jaren twintig vervaardigde Daimler het topmodel, de Double Six, een zeer grote auto, voorzien van een twaalfcilinder schuivenmotor. Ook deze auto zorgde voor blijvende klandizie van het Engelse vorstenhuis, iets waar Rolls-Royce in die tijd minder over te spreken geweest zal zijn.

Veranderingen in management na de Tweede Wereldoorlog leidde tot andere inzichten. Illustratief hiervoor is de Golden Zebra Daimler, die in opdracht van Lady Docker is gebouwd. Dit met zebrahuid uitgevoerde model, dat op de London Motor Show veel bekijks maar geen kopers voor de andere modellen van Daimler trok, is overigens in het Louwman Museum te zien. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw konden Jaguar-automobielen als Daimler geleverd worden (onderscheidend kenmerk, de geribbelde grille), maar tegenwoordig is het roemruchte merk Daimler, in ieder geval tijdelijk, van het toneel verdwenen.

Hetzelfde wat aan het eind van de negentiende eeuw in Engeland geschiedde, voltrok zich ook in Oostenrijk. Daimler richtte aldaar een dochteronderneming op in Wiener-Neustadt, waar aanvankelijk de productie van 100 Daimlers gepland was. Deze vestiging heette, mede gelet op het land van vestiging, Austro-Daimler. In 1906 werd de Oostenrijkse dochter financieel losgemaakt van het moederbedrijf in Cannstatt en ging het min of meer zijn eigen gang. Kort daarop werd een talentvol techneut, Ferdinand Porsche aangesteld als ontwerper/directeur. Al snel werd zijn invloed merkbaar. Net als het voormalig moederbedrijf begaf Austro-Daimler zich in de wedstrijdsport. Een belangrijk succes werd behaald in de Prinz Heinrich Fahrt van 1910, welke Ferdinand Porsche, aan het wiel van een van zijn creaties, won.

De Oostenrijkse auto’s waren over het algemeen sportiever van aard dan de producten van het voormalig moederbedrijf. Eind jaren twintig/begin jaren dertig was Hans Stuck zeer succesvol aan het stuur van een Austro-Daimler in heuvelklims.

Ferdinand Porsche ging in 1923 weer terug naar Daimler in Duitsland, maar zijn opvolger Rabe zette zijn traditie voort in de zin dat Austro-Daimler hoogwaardige auto’s bleef produceren.  Eind jaren twintig ging men een samenwerkingsverband aan met de (voormalige) wapenfabriek Steyr, die inmiddels voertuigen was gaan produceren alsmede met het eveneens Oostenrijkse Puch. Na de Tweede Wereldoorlog verdween haast Austro Daimler. Men bouwde alleen nog kleine Fiats in licentie, maar in de jaren zeventig stopte men als personenautofabrikant. Steyr is inmiddels overgenomen door het Canadese Magna.

De producten van Gottlieb Daimler hadden dus inmiddels wortel geschoten in drie landen, maar het eigen land bleef natuurlijk belangrijk. De namen Daimler en Benz, onverbrekelijk verbonden met het ontstaan van de automobiel, werkten vanaf het begin van de jaren twintig samen en dit resulteerde uiteindelijk in een fusie, waarbij de naam Mercedes nog prominenter aanwezig was. Het concern heette Daimler Benz maar alle voertuigen werden Mercedes genoemd. Met dank aan de dochter van Emil Jellinek.

In Deel 2 beschrijven wij de voortgang van dit nieuwe thans zeer prominente merk.

Peter Helbach

Deel deze pagina
share
0

Uw mandje is leeg